Skip to main content
Internet Archive's 25th Anniversary Logo

Full text of "Stcrt 24 Maart 2006 Nr 60"

See other formats


BZK 

Modelgedragscode Integriteit Sector Rijk 



maart 2006 
Inhoud 

Samenvattend 

Deel 1 Inleiding, achtergrond en 
kernwaarden 

1.1 Inleiding 

1 .2 Achtergrond 

• Aandacht en bereik integriteit 

• Betrouwbaarheid en voorbeeldfunc- 
tie 

• Voorschriften versus eigen verant- 
woordelijkheid 

• Rol van het management 

• Aanleiding en doelstelling 

• Tips met betrekking tot gedragsco- 
des 

1.3 Kernwaarden 

• Onpartijdigheid 

• Betrouwbaarheid 

• Zorgvuldigheid 

• Dienstbaarheid en respectvolle beje- 
gening 

• Professionaliteit en morele verant- 
woordelijkheid 

Wat een goed ambtenaar betaamt 
Deel 2 Specifieke normen en spelre- 
gels 

2.1 Respect voor elkaars rechten/inte- 
griteit en voorkomen van ongewenste 
omgangsvormen 

2.2 Omgaan met informatie/geheim- 
houding/vrijheid van meningsuiting 

2.3 Geschenken en voordelen 

2.4 Nevenwerkzaamheden 

2.5 Financiele belangen en transacties 
met effecten 

2.6 E-mail, intranet en internet 

2.7 Inkoop 

2.8 Draaideurconstructie 

Deel 3 Voorzieningen en maatregelen 
ter bevordering van integriteit 

3.1 Afleggen eed of belofte 

3.2 Vertrouwenspersoon integriteit 
(VPI) 

3.3 Klokkenluidersregeling 

3.4 Sancties 

3.5 Tot slot 

Samenvattend 

De modelgedragscode voor het Rijk 
is opgebouwd uit drie delen. Het eer- 
ste deel bevat de zogenaamde kern- 
waarden. Dat zijn - vaak abstractere 
- waarden die ten grondslag liggen 



aan het werken binnen de (rijks)over- 
heid. Naast deze waarden kennen we 
ook specifieke normen en regels 
waaraan moet worden voldaan. In 
deel twee treft u de bestaande normen 
en regels, die op dit moment voor de 
sector Rijk gelden, aan. Het derde en 
laatste deel bevat de voor de sector 
Rijk verplichtende voorzieningen en 
maatregelen die gericht zijn op het 
bevorderen van integriteit. Deze drie 
elementen uit de modelgedragscode 
kunt u zien als de minimale bestand- 
delen voor een gedragscode voor 
organisaties binnen de sector Rijk. 
Het hebben van een gedragscode inte- 
griteit is met de inwerkingtreding per 
1 maart 2006 van de wijziging van de 
Ambtenarenwet in verband met goed 
ambtelijk handelen overigens een ver- 
plichting. Bij voorkeur ontwikkelen 
ministeries en rijksdiensten hun eigen 
op de organisatie toegespitste code en 
hanteren de modelgedragscode als 
sectoraal toetsingskader. Voor minis- 
teries en diensten die nog niet 
beschikken over een gedragscode kan 
de Modelgedragscode integriteit Rijk 
gelden, totdat de desbetreffende orga- 
nisaties zelf een gedragscode integri- 
teit hebben vastgesteld. Afwijkingen 
van de modelcode zijn alleen mogelijk 
indien gekozen wordt voor strengere 
dan de voorgeschreven bepalingen. 

1 Inleiding, achtergrond en kernwaar- 
den 

1.1 Inleiding 

Voor u ligt de 'Modelgedragscode 
Integriteit sector Rijk'. 

Werken bij het Rijk is iets om trots 
op te zijn. Een rijksambtenaar levert 
immers direct of indirect een bijdrage 
aan het de samenleving als geheel. 
Vanuit deze verantwoordelijkheid is 
het vanzelfsprekend dat burgers, in- 
en externe partijen, integer handelen 
van de rijksambtenaar verwachten. 
Met andere woorden: integriteit is een 
belangrijke voorwaarde voor vertrou- 
wen in de rijksoverheid en onkreuk- 
baarheid van de publieke sector. 

Integriteit komt concreet tot uiting 
in het handelen van mensen in uiteen- 



lopende situaties en is een veelomvat- 
tend begrip. Elke overheidsorganisatie 
zal zijn organisatie, systemen en 
werkprocessen zo moeten inrichten 
dat sprake is van een integere organi- 
satie. Hiertoe zal elke organisatie een 
samenhangend integriteitsbeleid moe- 
ten ontwikkelen. 

Ook is een open cultuur belangrijk 
zodat leidinggevenden en medewer- 
kers met elkaar in gesprek gaan over 
praktische vraagstukken van integri- 
teit. Daarbij kan het gaan om relaties 
met externe partijen, maar zeker ook 
over de onderlinge verhoudingen op 
de werkvloer en integer gedrag jegens 
elkaar. Het hebben van een gedrags- 
code, als onderdeel van het integri- 
teitsbeleid, biedt hiervoor een goede 
basis. Een gedragscode waarin de 
kernwaarden en normen zijn beschre- 
ven en vastgelegd, biedt medewerkers 
immers een duidelijk kader waaraan 
zij zich dienen te houden. 
Tegelijkertijd is de realiteit complex 
en is de gedragscode vooral ook een 
instrument om met elkaar in gesprek 
te gaan en integer gedrag te explicite- 
ren en de verschillende belangen in 
een gegeven situatie gezamenlijk af te 
wegen en een beslissing te nemen over 
de handelwijze. Een gedragscode 
brengt niet alleen verplichtingen voor 
de ambtenaar mee. Ook op de werk- 
gever rusten verplichtingen. De amb- 
tenaar heeft recht op een volwaardig 
integriteitsbeleid. Dat wil onder ande- 
re zeggen dat hij niet onnodig wordt 
blootgesteld aan integriteitsrisico's tij- 
dens zijn werkzaamheden en dat hij 
zoveel als redelijkerwijs mogelijk is 
daartegen door zijn werkgever wordt 
beschermd. Dit vloeit voort uit de 
verplichting voor het management 
om zich te gedragen als een 'goed 
werkgever'. 

Met de inwerkingtreding per 1 
maart 2006 van de wijziging van de 
Ambtenarenwet in verband met goed 
ambtelijk handelen 1 zal elke over- 
heidsorganisatie verplicht zijn een 
integriteitsbeleid te voeren en als 
onderdeel daarvan een gedragscode te 
hebben. Deze modelgedragscode is 
vooral een sectoraal toetsingskader 
voor de ministeries die vaak zelf al 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



1 



een gedragscode hebben opgesteld. 
Voor de ministeries die nog niet 
beschikken over een gedragscode, kan 
deze Modelgedragscode integriteit 
Rijk gelden, totdat zij zelf een 
gedragscode hebben opgesteld. 
Afwijkingen van de modelcode zijn 
alleen mogelijk indien gekozen wordt 
voor strengere dan de voorgeschreven 
bepalingen. 

1.2 Achtergrond 

Aandacht en bereik integriteit 
De afgelopen jaren is er veel aan- 
dacht voor integriteit in het openbaar 
bestuur. De meeste mensen denken 
bij het horen van deze term onmid- 
dellijk aan fraude en corruptie. Als 
ambtenaren of bestuurders zich hier- 
aan schuldig maken, is dit inderdaad 
een grove schending van de integri- 
teit. Maar integriteit heeft met veel 
meer dan alleen met fraude en cor- 
ruptie te maken. Integriteit is een 
kwaliteitskenmerk voor het functione- 
ren van personen en organisaties. Het 
geeft niet alleen de mate van 
onkreukbaarheid en betrouwbaarheid 
aan, maar is ook een maatstaf of 
iemand zich in zijn handelen laat lei- 
den door de normen en waarden die 
kenmerkend zijn voor goed ambte- 
naarschap. 

Betrouwbaarheid en voorbeeldfunctie 
Rijksambtenaren bepalen in belangrij- 
ke mate het gezicht van de rijksover- 
heid. Het werken bij het Rijk is dan 
ook niet alleen iets om trots op te 
zijn, maar schept ook verplichtingen. 
Burgers en externe partijen mogen 
erop vertrouwen dat de overheid in 
de uitoefening van haar taak niet 
alleen effectief en efficient is, maar 
ook betrouwbaar, zorgvuldig en eer- 
lijk. Voor het functioneren van de 
overheid is dit vertrouwen essentieel. 
Overheidsbesluiten kunnen immers 
diep ingrijpen in het leven van bur- 
gers. Denk aan besluiten met gevol- 
gen voor het inkomen van burgers of 
aan besluiten over de inzet van politie 
en justitie. Als de integriteit en het 
vertrouwen beschadigd worden dan 
leidt dit tot vermindering van de legi- 
timiteit van het overheidshandelen, 
toenemende onverschilligheid van de 
burgers jegens door de overheid uit- 
gevaardigde maatregelen en de afna- 
me van de spontane nalevingsbereid- 
heid van de geldende wetten en 
regels. En daarmee komt het functio- 



neren van de overheid in gevaar. In 
het kader van het waarden en nor- 
men debat is bovendien vastgesteld 
dat de overheid geen fatsoenlijk 
gedrag van de burgers mag verwach- 
ten, indien zij niet zelf het goede 
voorbeeld geeft en integer is. Voor 
rijksambtenaren komt dit voorbeeld- 
gedrag concreet tot uiting in de wijze 
waarop zij besluiten nemen die bur- 
gers raken, in de manier waarop zij 
optreden naar burgers toe, ja zelfs 
hoe zij zich gedragen buiten dienst- 
tijd. Om de integriteit te waarborgen 
rust op rijksambtenaren dan ook de 
verantwoordelijkheid om steeds de 
grens te bewaken tussen gewenst en 
ongewenst gedrag. 

Voorschriften versus eigen verantwoor- 
delijkheid 

Natuurlijk zijn er regels over wat een 
ambtenaar wel en niet behoort te 
doen. 

Deze regels zijn veelal neergelegd in 
formele voorschriften. Zo staat bij- 
voorbeeld in het Algemeen 
Rijksambtenarenreglement (ARAR) 
dat een rijksambtenaar zich moet 
gedragen zoals een goed ambtenaar 
betaamt. Deze norm is open geformu- 
leerd. Andere meer toegespitste regels 
gaan bijvoorbeeld over het aannemen 
van geschenken en over de toelaat- 
baarheid van het uitoefenen van 
nevenwerkzaamheden. Het is zowel 
onmogelijk als onwenselijk om voor 
alle situaties regels op te stellen. In 
sommige gevallen ontbreken dus de 
regels of bieden zij om andere rede- 
nen onvoldoende houvast. Het komt 
dan aan op het vermogen van de 
ambtenaar om toch zelfstandig op 
een verantwoorde wijze te handelen 
naar de geest van de waarden en nor- 
men van de organisatie. Een gedrags- 
code kan hieraan bijdragen. 

Rol van het management 
Dat wil overigens niet zeggen dat de 
last van deze verantwoordelijkheid 
eenzijdig rust op de schouders van de 
rijksambtenaar als overheidswerkne- 
mer. Op de overheidswerkgever rust 
een minstens zo grote verantwoorde- 
lijkheid om medewerkers in staat te 
stellen verantwoorde keuzen te 
maken. Zo is het aan de werkgever 
en het management om de organisatie 
zodanig in te richten dat medewerkers 
zo min mogelijk worden blootgesteld 
aan integriteitsrisico's. 
Te solistisch handelen van medewer- 



kers kan bijvoorbeeld worden voor- 
komen door te zorgen voor een juiste 
functiescheiding. Verder is het zaak 
om in het personeelsbeleid aandacht 
te geven aan integriteit. Dit kan bij- 
voorbeeld vorm krijgen bij de intro- 
ductie van nieuwe medewerkers, tij- 
dens werkoverleggen, in 
(functionerings)gesprekken, door mid- 
del van scholing of trainingen enz. 
Naast de hiervoor beschreven taak 
van het management om integriteits- 
beleid en -maatregelen in te voeren 
dient het management natuurlijk ook 
zelf het goede voorbeeld te geven aan 
de medewerkers en zorg te dragen 
voor een open cultuur, waarin integri- 
teitsdilemma's besproken kunnen 
worden. Ergo de rol van het manage- 
ment bestaat uit het uitdragen van 
het beleid in woorden en daden. 
De gedragscode is dus voor het 
management niet het enige instrument 
dat zij voorhanden hebben om inte- 
griteitsbeleid mee te voeren. Het is 
vooral een belangrijk instrument voor 
leidinggevende en medewerker om 
met elkaar in gesprek te gaan over 
integriteit en dilemma's bespreekbaar 
te maken. Uiteindelijk kan het 
management aan de hand van de 
gedragscode ook medewerkers aan- 
spreken op hun gedrag. 

Aanleiding en doelstelling 
In de 

Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 
sector Rijk 2002-2003 is met de vak- 
organisaties overeengekomen dat 
voor het Rijk een sectorale modelge- 
dragscode integriteit zal worden 
opgesteld. Met deze modelgedragsco- 
de integriteit voor het Rijk wordt 
daaraan uitvoering gegeven. De wijzi- 
ging van de Ambtenarenwet in ver- 
band met goed ambtelijk handelen 
bevat de verplichting dat het bevoegd 
gezag van overheden een gedragscode 
voor goed ambtelijk handelen tot 
stand moet brengen. 
Het merendeel van de ministeries 
beschikt al over een departementale 
gedragscode. De modelgedragscode 
treedt in beginsel daarvoor niet in de 
plaats. De modelgedragscode is niet 
bedoeld als blauwdruk of vervanging 
van de departementale codes. Dat 
kan ook niet aangezien de departe- 
mentale codes toegesneden dienen te 
zijn op de eigen specifieke werksitu- 
atie, de 'couleur locale'. Dit betekent 
dat de modelcode primair is geschre- 
ven voor het bevoegde gezag van het 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



2 



Rijk dat haar eigen code en regelin- 
gen kan toetsen aan de modelcode en 
er zo zijn voordeel mee kan doen. 
De modelgedragscode biedt wel een 
sectoraal kader, dat de ministeries en 
diensten allereerst kunnen gebruiken 
om zich te laten inspireren door de 
kernwaarden die kenmerkend zijn 
voor de (rijks)overheid (zie volgende 
paragraaf ). In de tweede plaats kun- 
nen de ministeries en diensten aan de 
hand van het model toetsen of zij in 
hun eigen code, dan wel in integri- 
teitsregels ten minste de reeds 
bestaande en verplichte integriteitsas- 
pecten hebben opgenomen zoals die 
genoemd zijn onder 2.1 tot en met 
3.3. Afwijken ten aanzien van dit 
laatste kan alleen als gekozen wordt 
voor een strengere dan de voorge- 
schreven regel. Voor ministeries en 
zelfstandige rijksdiensten die nog niet 
beschikken over een gedragscode kan 
de Model- gedragscode integriteit 
Rijk gelden, totdat de desbetreffende 
organisaties zelf een gedragscode inte- 
griteit hebben opgesteld. Deze 
gedragscode kan bij de totstandko- 
ming dan als model dienen. 
Tot slot dient deze modelgedragscode 
ook om te komen tot een grotere uni- 
formiteit binnen de rijksdienst omdat, 
zeker ten aanzien van de verplichte 
regels, deze door de verschillende 
departementen ook op dezelfde 
manier moeten worden uitgelegd. 
Afwijken kan dan alleen als dit expli- 
ciet gemotiveerd wordt. 

De Modelgedragscode integriteit 
Rijk beoogt kortom handvatten te 
geven voor situaties waarin rijksamb- 
tenaren worden geconfronteerd met 
een integriteitsvraagstuk, het uitoefe- 
nen van de eigen verantwoordelijk- 
heid en het maken van verantwoorde 
keuzen daarbij. Deze code geeft op 
hoofdlijnen een samenhangend beeld 
van het integriteitsbeleid binnen het 
Rijk. Hierin zijn enerzijds de dieper- 
liggende (kern)waarden die aan de 
concrete normen ten grondslag liggen, 
opgenomen en zijn anderzijds de 
bestaande regelingen, die op verschil- 
lende plaatsen in wet- en regelgeving 
zijn neergelegd en nog eens voor u op 
een rijtje gezet. 

Tips met betrekking tot gedragscodes 
Ter ondersteuning bij het (verder) 
vorm geven van uw eigen organisatie- 
specifieke code treft u hieronder alge- 
mene tips aan met betrekking tot 
gedragscodes. 



- Het proces van de totstandkoming 
en inhoud van codes 
Bij het ontwikkelen van een gedrags- 
code moeten keuzes worden gemaakt. 
In de eerste plaats moet de wijze van 
totstandkoming van de gedragscode 
worden bepaald. 

Dit kan in theorie vanuit een top 
down benadering gebeuren, waarbij 
het bevoegd gezag gedragsregels vast- 
stelt die door de betrokken ambtena- 
ren moeten worden nageleefd. Een 
gedragscode beoogt echter een ethisch 
afwegingskader te bieden en het 
ethisch bewustzijn van betrokkenen te 
ontwikkelen. De bottom up benade- 
ring sluit hier beter bij aan. 
Het uitgangspunt is dat de participa- 
te van alle ambtenaren binnen de 
organisatie van essentieel belang is 
voor het bereiken van het doel. Het 
betreft een vorm van proces- benade- 
ring: door de discussies en het overleg 
die leiden tot de gedragscode, wordt 
het ethisch bewustzijn van de ambte- 
naar gestimuleerd en ontwikkeld. 
Ook ten aanzien van de inhoud van 
de gedragscode zijn twee benaderin- 
gen mogelijk: concrete bepalingen of 
een abstract afwegingskader. Een 
gedragscode die een set concrete 
gedragsregels bevat, geeft precies aan 
wat wel en wat niet gewenst is binnen 
de organisatie. Het zijn gebods- en 
verbodsbepalingen. Bij een ethisch 
dilemma hoeft de betrokken ambte- 
naar niet zelf een keuze te maken, 
maar kan hij «opzoeken» hoe hij 
dient te handelen. Bij norm- over- 
schrijding kunnen tamelijk eenvoudig 
repressieve maatregelen genomen 
worden. Afgezien van het feit dat het 
praktisch onmogelijk is alles vast te 
leggen in concrete regels, wordt dit 
soort gedragscodes soms als paterna- 
listisch ervaren. Bij een gedragscode 
die een abstract afwegingskader biedt, 
moet de ambtenaar die geconfron- 
teerd wordt met een ethisch dilemma 
zelf een keuze maken op basis van dit 
kader. Er worden weinig concrete 
oplossingen of specifieke regels gege- 
ven. Door de abstractheid van de 
gedragscode is het moeilijker een 
sanctiemechanisme op de niet-nale- 
ving te ontwikkelen. De hoge mate 
van abstractheid brengt ook mee dat 
de gedragscode als vaag kan worden 
ervaren. Het zal op voorhand wellicht 
niet altijd duidelijk zijn wat het 
gewenst gedrag is in een concrete 
situatie. Een goede gedragscode zal 
een verstandige combinatie laten zien 



van een ethisch afwegingskader, con- 
crete regels en voorbeeldsituaties. 

- Het gebruik van codes 
Men zal zich moeten realiseren dat 
moreel handelen nooit uitputtend kan 
worden vastgelegd. Steeds zal een 
beroep moeten worden gedaan op het 
ethisch bewustzijn van de ambtenaar. 
Goed ambtenaarschap is een hou- 
ding, een morele instelling. Een 
gedragscode is een middel om de dis- 
cussie over normen en waarden te 
starten en permanent onder de aan- 
dacht te houden. Een goed ingebedde 
gedragscode vereist permanent onder- 
houd door de politieke ambtsdragers 
en de leidinggevenden. Het manage- 
ment is - zoals eerder aangegeven - 
verantwoordelijk voor het tot stand 
brengen van het integriteitsbeleid 
voor zijn organisatie, dit te actueel te 
houden, het bevorderen van het inte- 
griteitsbewustzijn van zijn medewer- 
kers en het handhaven van integriteit 
binnen zijn organisatie. 
Het management kan door het 
gebruik van gedragscodes bij trainin- 
gen het integriteitsbewustzijn van 
medewerkers en (andere) leidingge- 
venden aanscherpen en waar nodig 
verder ontwikkelen en morele dilem- 
ma's op de werkvloer bespreekbaar 
maken. Een goede gedragscode zal de 
eigen ambtelijke verantwoordelijkheid 
centraal stellen. Het neerleggen van 
de belangrijke morele beginselen biedt 
ook duidelijkheid aan de samenle- 
ving. Burgers, maatschappelijke orga- 
nisaties en bedrijven weten wat het 
ethisch kader is waarbinnen ambtena- 
ren handelen en wat ze wel of niet 
mogen verwachten. Op deze wijze 
kan een gedragscode de ambtenaren 
helpen om weerstand te bieden aan 
zaken die niet stroken met het «goed 
ambtenaarschap». 

Hieronder komen achtereenvolgens 
de kernwaarden aan de orde alsmede 
de basisnorm uit het ARAR voor het 
goed ambtelijk handelen. Daarna in 
deel twee de specifieke normen en 
spelregels en ten slotte in deel drie 
voorzieningen en maatregelen ter 
bevordering van integriteit. 

1.3 Kernwaarden 

Kernwaarden, soms ook basiswaar- 
den genoemd, zijn beginselen die tot 
uitdrukking brengen waar mensen in 
organisaties voor staan. Waarden 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



3 



geven aan hoe een organisatie wil 
werken: de overheid dient bijvoor- 
beeld betrouwbaar en onpartijdig te 
zijn. Ze vormen als het ware het 
onderliggende gedachtegoed voor 
(een aantal van) de integriteitsnormen 
en -regels die hierna aan de orde 
komen. Zij geven een breder, soms 
een abstracter, kader voor het ethisch 
handelen binnen een organisatie. Op 
deze wijze kan in situaties waarin de 
concrete integriteitsregels mogelijk 
onvoldoende houvast bieden, of waar 
deze afwezig zijn, op deze waarden 
worden teruggevallen. Kernwaarden 
hebben zowel betrekking op het han- 
delen van ambtenaren in hun contac- 
ten met burgers of andere externe 
relaties als in de onderlinge verhou- 
dingen. Er zijn verschillende catego- 
rieen kernwaarden te onderscheiden 
die gelden voor de (rijks)overheid. De 
belangrijkste categorieen zullen hier- 
onder eerst kort benoemd worden. 
Daarna zal meer gedetailleerd inge- 
zoomd worden op een aantal specifie- 
ke onderdelen daarvan. 

Uiteraard is de overheid in zijn 
functioneren gebonden aan het recht. 
We spreken in dit verband van de 
rechtsstatelijke beginselen. Daarnaast 
kunnen democratische rechtsbeginse- 
len onderscheiden worden die behel- 
zen dat de politiek gekozen ambts- 
drager verantwoordelijk is voor het 
gevoerde beleid en voor al hetgeen de 
onder hem ressorterende ambtenaren 
doen of nalaten. Dit schept een bij- 
zondere relatie tussen de bestuurder 
en zijn ambtenaren. Organisatorische 
beginselen hebben betrekking op de 
inrichting van het overheidsbestuur 
als organisatie die aan eisen van doel- 
treffendheid en doelmatigheid moet 
voldoen. Een aantal specifieke kern- 
waarden worden apart genoemd en 
nader uitgewerkt omdat zij een zoda- 
nig karakter hebben dat zij van toe- 
passing zijn op alle organisaties beho- 
rende tot het Rijk. Deze kernwaarden 
hebben een algemene geldigheid. 
Tegelijkertijd kan worden opgemerkt 
dat andere belangrijke kernwaarden 
ontbreken. Het gaat om hier vooral 
om kernwaarden die weergeven hoe 
wij als rijksambtenaren gezien willen 
worden. Dit laat onverlet dat in de 
toekomst andere accenten kunnen 
worden gelegd. Bij de implementatie 
van de gedragscode in de praktijk zal 
blijken of medewerkers en andere 
belanghebbenden zich in de keuze 
van deze kernwaarden herkennen. 



Ten slotte: Naast de individuele 
verantwoordelijkheid van de ambte- 
naar om invulling te geven aan deze 
kernwaarden, is het de taak van de 
organisatie om de systemen en proce- 
dures zo in te richten dat de ambte- 
naar hierin wordt ondersteund. 

Onpartijdigheid 

Omdat ambtenaren het algemeen 
belang vertegenwoordigen, moeten 
burgers en externe partijen erop kun- 
nen vertrouwen dat de overheid niet 
de ene burger voortrekt ten opzichte 
van de andere, met andere woorden 
dat de overheid niet bevooroordeeld 
of partijdig is. De ambtenaar moet op 
zuiver zakelijke gronden tot een oor- 
deelsvorming kunnen komen en mag 
daarbij niet worden gehinderd door 
oneigenlijke of persoonlijke motieven. 
Een ambtenaar mag dan ook geen 
belanghebbende of partij zijn bij 
beslissingen die hij vanuit zijn functie 
neemt. Ook iedere schijn van belan- 
genverstrengeling moet worden ver- 
meden. Deze kernwaarde van onpar- 
tijdigheid en het daarmee 
samenhangende vermijden van belan- 
genver- 

strengeling manifesteert zich in een 
aantal concrete integriteitsregels. In 
bijvoorbeeld de regelingen inzake de 
meldplicht van nevenwerkzaamheden, 
de meldplicht van financiele belangen 
en transacties in effecten, het aanne- 
men van geschenken of giften en het 
verbod van draaideurconstructies zijn 
normen neergelegd die moeten voor- 
komen dat een ambtenaar in een 
positie komt waarin hij niet meer vrij 
of objectief zijn werk kan doen. 

Betrouwbaarheid 

Betrouwbaarheid betekent dat de 
burger erop moet kunnen vertrouwen 
dat de overheid, dus ook de ambte- 
naar, zijn afspraken of toezeggingen 
nakomt of waarmaakt. Dit heeft te 
maken met de geloofwaardigheid van 
de organisatie. Dit vertrouwen staat 
of valt met de betrouwbaarheid van 
de individuele ambtenaar. Veel van 
wat hij doet, op welke plaats en op 
welk moment dan ook, heeft invloed 
op hoe anderen tegen ambtenaren 
aankijken en daarmee op het vertrou- 
wen dat in de organisatie moet kun- 
nen worden gesteld. 
Betrouwbaar zijn als ambtenaar bete- 
kent ook dat zorgvuldig wordt omge- 
gaan met informatie waarover deze 
uit hoofde van zijn functie beschikt. 



Deze informatie mag uitsluitend wor- 
den aangewend voor het doel waartoe 
die is verstrekt en er moet bovendien 
rekening worden gehouden met de 
aard van de informatie (bijvoorbeeld 
politiek gevoelig, privacy gevoelig of 
vertrouwelijke documenten). Door 
het lekken van informatie wordt het 
vertrouwen in de overheid geschaad. 

Zorgvuldigheid 

Naast het feit dat besluitvorming 
zorgvuldig dient te geschieden, onder 
andere door het betrekken in de 
afweging van alle relevante belangen 
en een juist gebruik van de gegeven 
bevoegdheden, komt deze kernwaarde 
ook tot uiting in het gedrag waarbij 
zorgvuldig met de door de dienst ver- 
strekte middelen moet worden omge- 
gaan. Behalve apparatuur, kantoorar- 
tikelen en voertuigen behoren ook 
nadrukkelijk intranet-, e-mail- en 
internetvoorzieningen daartoe. 
Aangezien dit publieke middelen zijn, 
mogen deze enkel worden gebruikt 
voor het doel waartoe zij zijn ver- 
strekt. 

Eveneens wordt zorgvuldig omgegaan 
met de ter beschikking staande finan- 
ciele middelen, dat wil zeggen zuinig 
en efficient alsmede dat deze enkel 
mogen worden aangewend voor 
geoorloofde doelen. 

Dienstbaarheid en respectvolle 
bejegening 

Het handelen van ambtenaren dient 
gericht te zijn op het belang van de 
organisatie en de burgers die daarvan 
afhankelijk zijn. Ambtenaren dienen 
de burgers maar ook elkaar vanuit 
een respectvolle houding te bejegenen 
waarin standpunten, visies en inbreng 
van anderen serieus worden genomen. 
Dit komt onder andere tot uiting in 
de wil en het vermogen tot samen- 
werking. Verder betreft het de aspec- 
ten als klantgerichtheid, hulpvaardig- 
heid of fatsoen. Een onderdeel van 
een respectvolle bejegening is het zich 
onthouden van discriminatie. Deze, 
ook wettelijk verankerde, waarde 
houdt in dat discriminatie - in welke 
vorm dan ook - moet worden voor- 
komen en waar het zich voordoet, 
bestreden. Het gaat om het voorko- 
men van discriminatie binnen de 
organisatie, maar ook om het voor- 
komen van mogelijke discriminatie 
van burgers buiten de overheidsorga- 
nisatie. 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



4 



Professionaliteit en morele verantwoor- 
delijkheid 

Professionaliteit wordt niet als laatste 
genoemd omdat deze kernwaarde het 
minst belangrijk zou zijn, maar 
omdat deze de bovengenoemde kern- 
waarden als het ware omspant. 
Professionaliteit houdt in dat de amb- 
tenaar zich gedraagt zoals een goed 
ambtenaar betaamt, dat hij zijn werk 
goed uitvoert en integer is. Dit 
behelst tevens het vermogen om kern- 
waarden tegelijkertijd toe te kunnen 
passen en daar waar de verschillende 
waarden om voorrang strijden (bij- 
voorbeeld in het geval van efficiency 
versus rechtmatigheid) de juiste en 
(moreel) verantwoorde afweging te 
maken. Er zijn meerdere redenen 
waarom het belangrijk is te investeren 
in professionaliteit en moreel oor- 
deelsvermogen. In de eerste plaats is 
gebleken dat het in de praktijk zowel 
onmogelijk als onwenselijk is om 
voor elke mogelijke situatie regels te 
stellen. En toch moeten ambtenaren 
ook in die situaties waar regels ont- 
breken, onduidelijk of zelfs in enige 
mate tegenstrijdig zijn, in staat zijn 
om juiste en verantwoorde beslissin- 
gen te nemen. In de tweede plaats - 
en nauw daarmee verwant - kan 
worden gewezen op de toegenomen 
maatschappelijke complexiteit en 
daaraan ten grondslag liggende ont- 
wikkelingen binnen de overheid zoals 
horizontalisering van de ambtelijke 
verhoudingen, interactieve beleidsvor- 
ming en publiek-private samenwer- 
kingsverbanden die gekenmerkt wor- 
den door een verruiming van de 
beslissingsruimte ('beleidsvrijheid') 
van ambtenaren. Een en ander vergt 
dat ambtenaren in staat moeten wor- 
den gesteld om die vrijheid op een 
(moreel) verantwoorde en integere 
wijze in te vullen. 



Complexiteit 
i 

Beslissingsruimte 
i 

Verantwoordelijkheid 
i 

Morele competentie 



Het trainen en opleiden van leiding- 
gevenden en ambtenaren op dit speci- 
fieke gebied is cruciaal. Het belang 
van het organiseren van vormen van 
collegiale toetsing of -beraad om inte- 



griteitsvraagstukken te bespreken kan 
hier niet genoeg worden benadrukt. 
Hierdoor worden ambtenaren niet 
onnodig louter op zichzelf terugge- 
worpen en kunnen integriteitsvraag- 
stukken al reflecterend en in geza- 
menlijkheid belicht worden, hetgeen 
in voorkomende gevallen kan leiden 
tot het ontwikkelen van aanvullende 
handelingsnormen. 

- Over dilemma's en waarden die om 
voorrang strijden 

Loyaliteit is eveneens een belangrijke, 
zij het een soms problematische, 
waarde binnen het openbaar bestuur. 
Ambtenaren behoren natuurlijk 'in 
principe' loyaal te zijn aan het 
bevoegde gezag en zich te conforme- 
ren aan de hierarchische lijn. Indien 
een dergelijke principiele loyaliteit 
ontbreekt kan een organisatie niet 
meer functioneren door ambtelijke 
willekeur. Aan de andere kant dient 
men zich de vraag te stellen tot waar 
de ambtelijke loyaliteit dient te rei- 
ken. Indien vanuit de lijn opdrachten 
worden verstrekt die indruisen tegen 
het algemene belang, die inefficient, 
moreel laakbaar of zelfs strafbaar 
zijn, dan wel opdrachten betreffen 
waar individuele ambtenaren zich 
vanuit persoonlijke of religieuze 
motieven pertinent niet mee kunnen 
verenigen, dan is er sprake van bot- 
sing tussen verschillende waarden 
(interferentie). 

In een dergelijke situatie komt het 
aan op het vermogen van ambtenaren 
om een verantwoorde en professione- 
le afweging te maken tussen de ver- 
schillende waarden en belangen. Het 
is belangrijk te onderkennen dat amb- 
tenaren weten dat zij zich nooit ach- 
ter een van hoger hand opgelegde 
opdracht kunnen verschuilen en dat 
loyaliteit hen niet kan ontslaan van 
een eigen morele verantwoordelijk- 
heid. 'Bewusteloze gehoorzaamheid' 
past niet bij het beeld van een intege- 
re ambtenaar. Concreet zou een der- 
gelijk vraagstuk opgelost kunnen 
worden door het te bespreken met 
collega's (moreel beraad) of met de 
vertrouwenspersoon integriteit (zie 
3.2) 

Wat een goed ambtenaar betaamt 
Artikel 50, eerste lid, Algemeen 
Rijksambtenarenreglement (ARAR) 

De ambtenaar dient zich te gedragen 
'zoals een goed ambtenaar betaamt'. 



Deze algemeen geformuleerde regel in 
het ARAR wordt voor wat betreft 
integriteit deels nader ingevuld in 
deze gedragscode. Dit houdt in dat 
de gedragscode de spelregels bevat 
waaraan hij zich als goed ambtenaar 
moet houden. Aangezien niet alles in 
regels is te vatten, handelt hij in voor- 
komend geval in de geest van de 
gedragscode of kan hij zich voor 
overleg en/of advies wenden tot een 
leidinggevende of de departementale 
vertrouwenspersoon integriteit (zie 
paragraaf 3.2). 

2 Specifieke normen en spelregels 

In dit onderdeel van de modelge- 
dragscode worden de op dit moment 
binnen de sector Rijk geldende speci- 
fieke normen en spelregels opgesomd, 
zoals die zijn opgenomen in de voor 
de sector Rijk toepasselijke wet- en 
regelgeving (zoals Ambtenarenwet, 
ARAR en ministeriele regelingen en 
beleidsregels van de Minister van 
BZK). 

2.1 Respect voor elkaars rechten/inte- 
griteit en voorkomen van ongewenste 
omgangsvormen 

Artikel 1 Grondwet en Algemene wet 
gelijke behandeling 
Model Gedragscode Rijksoverheid 
tegen rassendiscriminatie 2001 
Klachtenregeling sexuele intimidatie 
burgerlijk rijkspersoneel van 22 juli 
1994 (Stcrt. 1994, nr. 151) 

Ambtenaren dienen de publieke zaak. 
Zij doen dit vanuit een respectvolle 
houding waarin de standpunten, 
visies en inbreng van anderen serieus 
worden genomen. Een respectvolle 
houding komt onder andere tot uiting 
in collegialiteit, teamgeest, openheid 
en klantgerichtheid. Een ander onder- 
deel is het respect tonen voor de indi- 
viduele verscheidenheid en het nastre- 
ven van correcte omgangsvormen. 
Medewerkers gaan collegiaal met 
elkaar en anderen om en respecteren 
elkaars integriteit. Dat betekent dat 
medewerkers hun werkzaamheden 
verrichten zonder daarbij onderscheid 
te maken op grond van godsdienst, 
levensovertuiging, politieke gezind- 
heid, ras, geslacht of andere per- 
soonsgebonden kenmerken. 
Naast het feit dat dit wettelijk is ver- 
boden, zijn beledigingen, discrimina- 
tie, sexuele intimidatie en pesten 
uitingen van ongewenste omgangsvor- 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



5 



men alsmede een gebrek aan respect 
voor een ander. Wees er in dit ver- 
band van bewust dat bepaalde gedra- 
gingen of uitlatingen, zowel binnen 
als buiten het werk, discriminerend 
kunnen zijn voor groepen of individu- 
en, zelfs als dit niet zo bedoeld is. 

Sexuele intimidatie is een uiting 
van het tonen van gebrek aan respect 
en een aantasting van iemands per- 
soonlijke integriteit. Hierbij gaat het 
om een vorm van sexueel getinte aan- 
dacht voor een persoon, die zich uit 
in verbaal, fysiek of ander gedrag 
waarbij de andere persoon dit ervaart 
als ongewenst, kwetsend of bedrei- 
gend. Voor een uitwerking hiervan 
wordt verwezen naar de klachtenrege- 
ling sexuele intimidatie voor de sector 
Rijk en eventuele departementale 
regelingen. Naast deze bestuursrechte- 
lijke aanpak kan, wanneer tevens 
sprake is van een strafbaar feit, aan- 
gifte worden gedaan bij het Openbaar 
Ministerie. 

2.2 Omgaan met informatie/geheim- 
houding/vrijheid van meningsuiting 2 
Artikel 7 Grondwet 
Artikel 125a, derde lid, 
Ambtenarenwet (AW) / artikel 2:5 
Algemene wet bestuursrecht (Awb) 
Aanwijzingen inzake externe contac- 
ten van rijksambtenaren (Stcrt. 1998, 
nr. 104) Voorschrift informatiebeveili- 
ging rijk - bijzondere informatie 
(VIR-BI), maart 2004 

Een ambtenaar heeft vaak toegang 
tot persoonlijke gegevens van burgers 
of informatie waarvoor buitenstaan- 
ders belangstelling hebben. Het 
spreekt voor zich dat hij met dergelij- 
ke informatie zorgvuldig omgaat als 
ook dat hij deze niet ten eigen bate 
aanwendt. Aan de andere kant heeft 
de ambtenaar het recht van vrije 
meningsuiting (artikel 7 Grondwet). 
Hij mag echter geen uitlatingen doen 
die zijn functioneren of dat van de 
openbare dienst kunnen schaden. Het 
grondrecht op vrije meningsuiting van 
de ambtenaar is niet absoluut. De 
grens ligt daar waar een goede func- 
tievervulling of een goede functione- 
ring van de openbare dienst, voor 
zover deze in verband staat met de 
functievervulling, niet in redelijkheid 
is verzekerd. Van belang voor de 
beoordeling van een gedraging is 
onder meer de afstand tussen de 
ambtenaar en het beleid waarover de 
ambtenaar zich uitspreekt, de aard 



van de materie en de wijze waarop hij 
zijn mening geeft. De toetsing van 
eventuele uitlatingen is achteraf. 
De ambtenaar is dan ook zelf verant- 
woordelijk voor wat hij zegt of doet. 
Heeft deze twijfels over wat hij wel of 
niet kan zeggen, dan kan hij altijd 
met zijn chef overleggen. Voor som- 
mige informatie is het evident dat 
deze vertrouwelijk moet worden 
behandeld. Dit kan onder meer blij- 
ken door de aanduidingen ('rubrice- 
ringen'): 'Stg. Confidentieel', 'Stg. 
Geheim' of 'Stg. Zeer geheim'. Deze 
stukken mogen alleen worden gelezen 
door daartoe bevoegde personen. 
Daarnaast kunnen de departementen 
documenten 'merken' als zijnde 'Dep. 
vertrouwelijk', of 'personeelsvertrou- 
welijk'. 

2.2.1 Hoe ga ik om met contacten met 
individuele kamerleden? 
Kamerleden ontvangen hun informa- 
tie van bewindspersonen. Ambtenaren 
dienen derhalve ook zeer terughou- 
dend te zijn ten aanzien van contac- 
ten met kamerleden. In contacten met 
kamerleden gelden een aantal richtlij- 
nen. 

• Op een verzoek van een kamerlid 
om informatie wordt slechts ingegaan 
indien het verzoek het verstrekken 
van openbare informatie betreft. Het 
is raadzaam de minister hierover in te 
lichten. 

• Wanneer het contact een ander doel 
heeft (bijvoorbeeld als het gaat om 
niet openbare zaken) dan wordt de 
minister hierover onmiddellijk ge'in- 
formeerd en dient deze te beslissen of 
het contact wordt toegestaan. 

• Het initiatief voor het contact met 
kamerleden dient niet bij de ambte- 
naar te liggen. 

• Er kan alleen informatie van feitelij- 
ke aard worden verstrekt, waarbij de 
ambtenaar zich onthoudt van het uit- 
dragen van zijn persoonlijke mening 
of beleidsopvatting. 

• Ook in hun contacten met de 
Kamer en leden daarvan zijn ambte- 
naren gehouden aan hun wettelijke 
geheimhoudingsplicht. 

2.2.2 Hoe ga ik om met functionele 
contacten met derden? 

Het komt voor dat ambtenaren, in 
het kader van hun functievervulling, 
in contact treden met derden. Er gel- 
den een aantal specifieke richtlijnen 
ten aanzien van deze contacten. 

• De ambtenaar geeft zich rekenschap 



van het feit dat hij bij de uitoefening 
van zijn functie namens of ten behoe- 
ve de minister optreedt. 

• Verzoeken van journalisten voor 
informatie over een bepaald onder- 
werp worden doorverwezen naar de 
departementale afdeling 
Persvoorlichting. 

• De ambtenaar is verplicht tot 
geheimhouding van het geen hem in 
verband met zijn functie ter kennis is 
gekomen. De ambtenaar die deze 
norm overtreedt, maakt zich schuldig 
aan plichtsverzuim. 

• Het bevoegd gezag kan achteraf 
beoordelen of uitlatingen van de 
ambtenaar onverenigbaar zijn met 
zijn functievervulling of het functio- 
neren van de openbare dienst. 

• Factoren die van invloed zijn bij de 
beoordeling zijn: 

- de afstand tussen de functie van de 
ambtenaar en het beleidsterrein waar- 
over hij de uitlatingen heeft gedaan; 

- de (politieke) gevoeligheid van de 
materie; 

- het moment en de wijze waarop de 
uitspraken worden gedaan; 

- de voorzienbaarheid van de schade- 
lijkheid ten tijde van de uitspraken. 

2.3 Geschenken en voordelen 
Artikel 64 ARAR, circulaires van de 
Minister van BZK van 14 juli 1999 
(Stcrt. 1999, nr. 154) en van 16 juli 
1992 (Stcrt. 1992, nr. 147) 

Soms komt een ambtenaar in een 
situatie dat een zakelijke relatie hem 
iets wil aanbieden. Dit kan zijn een 
fles wijn, een uitnodiging voor een 
diner of een toegangskaartje voor een 
evenement. De schenker wil de amb- 
tenaar bedanken, de relatie verbete- 
ren, hem beinvloeden of verlangt wel- 
licht een tegenprestatie. Er kleven 
derhalve integriteitsrisico's aan het 
aanvaarden van geschenken door 
ambtenaren. Zo'n geschenk mag dan 
ook niet zomaar worden aangenomen 
en soms in het geheel niet. Kernpunt 
is dat de ambtenaar zijn onafhanke- 
lijkheid dient te waarborgen. Onder 
omstandigheden is het aanvaarden 
van een geschenk toelaatbaar. 
Daarbij dienen de volgende (procedu- 
rele) uitgangspunten in acht te wor- 
den genomen. 

• Ambtenaren moeten indien zij een 
geschenk of een dienst aangeboden 
krijgen, dit altijd melden aan hun lei- 
dinggevende. 

• Deze maakt een afweging aan de 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



6 



hand van de volgende criteria, waar- 
bij met name de context rondom het 
aanbieden van het geschenk of de 
dienst een rol speelt: 

- waarvoor wordt iets gegeven; 

- op welk moment wordt iets aange- 
boden (bijv. voor of na afloop van de 
gunning van een contract); 

- staat het geschenk of de dienst in 
juiste verhouding tot de geleverde 
prestatie (proportionaliteit- en rede- 
lijkheidsvereiste); 

- bestaat het risico dat er een contra- 
prestatie wordt verlangd; 

- wordt er open mee omgegaan; 

- betreft het een incidenteel geval of 
ontvangt betrokkene vaker iets van 
dezelfde relatie; 

- zijn er ook andere ambtenaren bin- 
nen de dienst of het departement die 
(regelmatig) van dezelfde relatie een 
geschenk of dienst ontvangen, en 

- wat is de waarde van het geschenk 
of de dienst? 

• Voor het kunnen aanvaarden van 
geschenken of diensten gelden de vol- 
gende criteria: 

- een geschenk of dienst met een 
waarde van meer dan € 50,- mag niet 
worden aanvaard; 3 

- geschenken mogen nooit op het 
huisadres worden ontvangen; leveran- 
ciers worden hier, voor zover nodig, 
per brief op gewezen; 

- geschenken die niet kunnen worden 
geaccepteerd, moeten worden gewei- 
gerd dan wel, indien bijvoorbeeld 
eerst achteraf de juiste waarde kan 
worden vastgesteld, worden terugge- 
stuurd; 

- uitstapjes, reizen, lunches, diners 
e.d. worden niet bekostigd door der- 
den. Gemaakte kosten kunnen con- 
form de geldende regels bij het minis- 
terie worden gedeclareerd; 

- uitnodigingen worden altijd bespro- 
ken met de leidinggevende of in het 
werkoverleg. Zodoende kan in alle 
openheid worden bepaald of een uit- 
nodiging kan worden geaccepteerd. 

Frequent flyer program 
Luchtvaartmaatschappijen introdu- 
ceerden enige jaren geleden het zoge- 
naamde 'frequent flyer program' 
(ffp). Dit is een zogenaamd loyali- 
teitsprogramma, waarmee luchtvaart- 
maatschappijen voordelen bieden aan 
hun trouwe klanten. Het systeem is te 
vergelijken met het sparen van zegels 
of punten bij de benzine- pomp of 
supermarkt. Met het ffp verdient de 
reiziger - op persoonlijke titel - pun- 



ten gerelateerd aan de vluchtafstand 
en vliegtuigklasse. Door de keuze van 
maatschappij, vertrekdata en traject 
kan direct invloed uitgeoefend wor- 
den op de omvang van cadeaus. 
Omdat op deze wijze op persoonlijke 
titel cadeaus kunnen worden verwor- 
ven, is het gebruik van ffp tijdens 
dienstreizen voor persoonlijke doel- 
einden niet toegestaan. 

2.4 Nevenwerkzaamheden 
Artikel 61 ARAR en Besluit van 4 
december 1997 (Stb. 655) met lijst 
afwegingsfactoren in nota van toe- 
lichting (blzn 35-36) 

Indien een medewerker naast zijn 
werk als rijksambtenaar in zijn vrije 
tijd andere werkzaamheden verricht, 
bijvoorbeeld in het bedrijfsleven of 
als bestuurslid van de plaatselijke 
(sport)vereniging, hoort hij deze in 
sommige situaties te melden bij het 
bevoegd gezag. Dit is afhankelijk van 
de aard van de nevenwerkzaamheden. 
Een meldplicht bestaat indien deze 
werkzaamheden, betaald of onbe- 
taald, de belangen van de dienst kun- 
nen raken, een en ander voor zover 
deze in verband staan met de (eigen) 
functievervulling. Er moet dus een 
relatie zijn tussen de aard van de 
nevenwerkzaamheden en de aard van 
de functie dan wel de aard van de 
werkzaamheden van het dienstonder- 
deel waar men werkzaam is. De 
akkoord bevonden nevenwerkzaam- 
heden worden vervolgens geregis- 
treerd. 

Er zijn ook nevenwerkzaamheden die 
altijd verboden zijn. Dit zijn neven- 
werkzaamheden waardoor een goede 
vervulling van de functie of het goed 
functioneren van de openbare dienst 
niet in redelijkheid zou zijn verze- 
kerd. Hiervan is sprake in geval van 
een onoorbare belangenverstrenge- 
ling, botsing van belangen, schade 
aan het aanzien van het ambt of een 
onvoldoende beschikbaarheid voor de 
functie. Het door een belastingambte- 
naar voor derden (niet zijnde gezins- 
of familieleden in de eerste en tweede 
graad) verrichten van fiscale werk- 
zaamheden wordt bijvoorbeeld aange- 
merkt als een vorm van onoorbare 
belangenverstrengeling. 
De ambtenaar beoordeelt zelf in eer- 
ste instantie of een nevenwerkzaam- 
heid al dan niet is toegestaan, of hij 
deze moet melden of dat een melding 



achterwege kan blijven. Hij is zelf 
verantwoordelijk (en wordt achteraf 
ook verantwoordelijk gehouden) voor 
een juiste beoordeling om nevenwerk- 
zaamheden al dan niet te melden. 
Indien een ambtenaar maar enigszins 
twijfelt, wordt geadviseerd de neven- 
werkzaamheden te melden. Als hand- 
vat in het kader van de afweging 
voor zowel de ambtenaar als het 
management kunnen de volgende 
punten dienen: 

• het karakter van de nevenwerk- 
zaamheden; 

• de functie van de ambtenaar in de 
organisatie; 

• het gebied waarin de nevenwerk- 
zaamheden worden verricht; 

• de vraag of er een verwevenheid 
met de hoofdfunctie is; 

• de vraag of de betrouwbaarheid en 
de integriteit van de ambtenaar in het 
geding komen; 

• de vraag of het risico bestaat dat 
ambtelijke informatie bij de uitoefe- 
ning van de nevenwerkzaamheden 
wordt misbruikt; 

• de vraag of door de nevenfunctie 
het risico van een persoonlijke con- 
frontatie in de ambtelijke functie aan- 
wezig is; 

• de reputatie van het bedrijf of de 
branche waarin de nevenwerkzaamhe- 
den worden verricht; 

• de vraag of zich in belangrijke mate 
publieke effecten kunnen voordoen 
waardoor op zichzelf aanvaardbare 
nevenwerkzaamheden toch extern 
negatief worden beoordeeld; 

• de vraag of de nevenwerkzaamhe- 
den een negatieve uitwerking kunnen 
hebben op de handhavingsmogelijk- 
heden in de ambtelijke functie; 

• de omvang of zwaarte van de 
nevenwerkzaamheden . 4 

Verder geldt er een beperkte open- 
baarmaking van nevenwerkzaamhe- 
den. Beperkt betekent dat alleen de 
geregistreerde nevenwerkzaamheden 
van de ambtelijke top openbaar wor- 
den gemaakt. 

2.5 Financiele belangen en transacties 
met effecten 

Artikelen 46 en 46a Wet toezicht 
effectenverkeer 1995 en artikel 61a 
ARAR 

Het kan voorkomen dat een ambte- 
naar financiele belangen heeft in 
bedrijven waarbij er een relatie met 
de ambtelijke functie is te onderken- 
nen of dat hij in effecten handelt of 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



7 



dit laatste van plan is te gaan doen. 
Dan is het belangrijk te weten dat 
binnen de overheid hiervoor (aanvul- 
lende) regels zijn. Dit ter voorkoming 
van ongewenste belangenverstrenge- 
ling. 

Er bestaat een wettelijk verbod op 
het handelen in effecten met gebruik 
van voorwetenschap. Het is mogelijk 
dat de ambtenaar in zijn functie kan 
beschikken over koersgevoelige infor- 
matie. Dit is vertrouwelijke, niet- 
openbare informatie over een rechts- 
persoon waarvan de openbaarmaking 
invloed kan hebben op de koers van 
effecten. Hij mag deze informatie dan 
ook op geen enkele manier gebruiken, 
noch door zelf daarin te handelen 
noch door die informatie aan derden 
te verstrekken. 

De (aanvullende) regels komen erop 
neer dat een minister binnen zijn 
gezagsbereik functies aanwijst waar- 
aan in het bijzonder het risico van 
financiele belangenverstrengeling of 
het risico van oneigenlijk gebruik van 
koersgevoelige informatie kan zijn 
verbonden. Bekleedt een ambtenaar 
een functie die als zodanig wordt 
aangewezen, rust op hem een meld- 
plicht met betrekking tot financiele 
belangen of het bezit van en transac- 
ties met effecten die de belangen van 
de dienst kunnen raken. Er wordt 
dan beoordeeld in hoeverre de finan- 
ciele activiteiten zich verdragen met 
de werkzaamheden in de functie. 

2.6 E-mail, intranet en internet 
Wetboek van Strafrecht, o.a. de 
artikelen 137c tot en met 137g 

Tijdens het werk kan de medewerker 
gebruik maken van e-mail en intranet 
en het internet bezoeken. Het e-mail, 
intranet- en internetsysteem wordt 
aan de werknemer voor zakelijk 
gebruik ter beschikking gesteld. 
Gebruik ervan is derhalve verbonden 
aan taken die voortvloeien uit de 
functie. Beperkt persoonlijk gebruik 
van deze systemen is evenwel toege- 
staan, mits dit niet storend is voor de 
dagelijkse werkzaamheden of de func- 
tievervulling niet schaadt en dit geen 
verboden gebruik oplevert. Zo is het 
de werknemer niet toegestaan om het 
e-mailsysteem te gebruiken voor het 
verzenden van berichten met een por- 
nografische, racistische, discrimine- 
rende, beledigende, aanstootgevende 
of (seksueel) intimiderende inhoud. 
Evenmin is het verzenden van berich- 



ten toegestaan die (kunnen) aanzetten 
tot haat en/of geweld. 
Verder is het niet toegestaan internet- 
sites te bezoeken die pornografisch, 
racistisch, discriminerend, beledigend 
of aanstootgevend materiaal bevatten, 
dan wel dergelijk materiaal te down- 
loaden en/of te verspreiden. Voor wat 
betreft het uiten van meningen of 
beleidsopvattingen en dergelijke via 
de e-mail of het internet gelden 
dezelfde regels als genoemd in para- 
graaf 2.2. 

Het is technisch mogelijk om het e- 
mail en internetgebruik van medewer- 
kers te laten registreren (logging). 
Hiermee kan zowel inzicht worden 
verkregen in het gebruik van indivi- 
duen als van organisatieonderdelen 
en kan tevens mogelijk misbruik aan 
het licht komen. 

Organisaties kunnen ervoor kiezen 
een separate regeling voor het 
gebruik van e-mail, intranet en inter- 
net op te stellen. Indien zij hiertoe 
overgaan, dienen zij - naast aandacht 
te schenken aan de inhoudelijke 
aspecten zoals criteria voor het 
gebruik, controle e.d. - het medezeg- 
genschapsorgaan bij het proces van 
totstandkoming te betrekken. Op 
grond van artikel 27, eerste lid onder 
1, van de WOR heeft een onderne- 
mingsraad instemmingsrecht ten aan- 
zien van een besluit tot vaststelling 
van een dergelijke regeling. 5 

2. 7 Inkoop 

Drietal EG-richtlijnen voor werken, 
leveringen en diensten, 
Comptabiliteitswet en de Regeling 
contractbeheer 1996 (ministerie van 
Financien) 

Artikel 62 ARAR, HAFIR en depar- 
tementale aanbestedingsregels 

Veelal staat er voor een leverancier 
veel op het spel. Dan kan het gebeu- 
ren dat deze meer dan de kwaliteit 
van zijn product gebruikt om de 
ambtenaar te overtuigen met hem in 
zee te gaan. Het inkopen van goede- 
ren of diensten behoort onafhankelijk 
te gebeuren. Het is zijn taak om te 
voorkomen dat middelen als geschen- 
ken hem be'invloeden bij het inkoop- 
of inhuurproces. 

Belangenverstrengeling 
Ter voorkoming van belangenver- 
strengeling zijn er meerdere mensen 
bij de besluitvorming in het kader 
van een inkoopprocedure betrokken. 



Wanneer er bij de andere partij 
iemand is die de ambtenaar prive 
kent, dan laat hij de aankoopbeslis- 
sing altijd door iemand anders 
nemen. In zijn algemeenheid bestaan 
er binnen de overheid regels met 
betrekking tot scheiding van verant- 
woordelijkheden bij het budgetbeheer. 
Verder is het als ambtenaar niet toe- 
gestaan deel te nemen aan aannemin- 
gen en leveringen ten behoeve van 
openbare diensten. In uitzonderlijke 
gevallen kan hiervoor toestemming 
worden verleend. 
Hoe werkt de inkoopprocedure? 
Inkopen of aanbesteden kan op ver- 
schillende manieren plaatsvinden. Dit 
is afhankelijk van de (geschatte) 
hoogte van het bedrag dat met de 
offerte is gemoeid 6 - 7 . 

• Tot € 50.000,- zijn er geen rijksbre- 
de aanbestedingsregels. 8 

• Bij een inkoopprijs vanaf € 50.000,- 
wordt een contractdossier bijgehou- 
den. 

• Bij een inkoopprijs vanaf 

€ 137.000,- (excl.BTW) gelden de 
Europese aanbestedingsregels ten 
behoeve van leveringen en diensten 
conform EG- richtlijnen. 9 

2.8 Draaideurconstructie 

Circulaire van Minister van BZK van 

13 September 1999, AD1999/U84410 

Een draaideurconstructie is de situatie 
waarbij een voormalig ambtenaar 
onmiddellijk of kort na zijn ontslag 
bij een ministerie wordt ingehuurd 
om opnieuw (dezelfde) werkzaamhe- 
den te verrichten; bijvoorbeeld via 
een extern adviesbureau. Door deze 
handelwijze wordt al snel de sfeer van 
vriendjespolitiek, oneerlijke concur- 
rence of schijn van belangenverstren- 
geling opgeroepen. Deze constructie 
vormt dan ook een gevaar voor het 
integer functioneren van de overheid. 

Om dit te voorkomen, geldt binnen 
het Rijk de volgende regeling: wan- 
neer een ambtenaar ontslag neemt, 
mag deze gedurende twee jaar na zijn 
ontslag op geen enkele manier als 
externe opdrachtnemer door het des- 
betreffende ministerie worden inge- 
huurd om werkzaamheden te verrich- 
ten. Hij mag evenmin gedurende 
dezelfde periode bij de uitvoering 
worden betrokken van overeengeko- 
men werkzaamheden van een bureau 
waaraan hij zich heeft verbonden. 
Van deze regel kan alleen worden 
afgeweken indien in het kader van 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



8 



een beeindiging van het dienstver- 
band afspraken met hem zijn 
gemaakt om na zijn ontslag nog 
gedurende een bepaalde, aan te geven 
tijd, werkzaamheden voor het minis- 
terie te verrichten teneinde de over- 
stap naar een nieuwe functie te verge- 
makkelijken. 

3 Voorzieningen en maatregelen ter 
bevordering van integriteit 

3.1 Afleggen eed of belofte 

Artikel 51 ARAR en Besluit Minister 
van BiZa van 23 april 1998 (Stcrt. 
1998, nr. 92) 

Ambtenaren hebben een bijzondere 
positie in de samenleving en maken 
deel uit van een overheidsorganisatie 
die onder andere de democratische 
waarden van de rechtsstaat 
beschermt. Daarom worden er voor 
wat betreft de integriteit hoge eisen 
gesteld aan de mensen die binnen de 
openbare dienst werken. Hoewel 
iedereen zich aan de wet moet hou- 
den en weet dat fraude en corruptie 
bijvoorbeeld strafbaar zijn, wordt met 
het afleggen van de eed of belofte 
nog eens expliciet onder de aandacht 
gebracht dat de Grondwet en alle 
overige wetten moeten worden geeer- 
biedigd zodat de ambtenaar zich 
bewust is van de verantwoordelijkhe- 
den die zijn functie meebrengt. 
Verder zweert of belooft de ambte- 
naar dat hij zich aan deze normen zal 
houden. 10 - 11 

3.2 Vertrouwenspersoon integriteit 
(VPI) 

Deze code en andere (departementale) 
gedragsregels geven een aantal hand- 
vatten hoe te handelen wanneer de 
ambtenaar op situaties stuit waarbij 
integriteit een rol speelt. Er zullen 
zich in de praktijk echter altijd situ- 
aties voordoen die in deze regels niet 
of niet uitputtend aan de orde zijn 
geweest. In dergelijke gevallen is het 
verstandig te rade te gaan bij een lei- 
dinggevende of, wanneer dat minder 
wenselijk wordt geacht, bij de depar- 
tementale vertrouwenspersoon integri- 
teit (VPI). Deze biedt de medewerker 
in vertrouwelijkheid een luisterend 
oor en kan hem adviseren hoe met 
een integriteitsvraagstuk om te 
gaan. 12 

Daarnaast kan de ambtenaar worden 
geconfronteerd met een situatie dat 



anderen binnen de organisatie regels 
of normen overtreden. De ambtenaar 
doet er goed aan om deze kennis niet 
voor zich te houden. Het is zelfs zo 
dat hij in sommige gevallen verplicht 
is daarvan werk te maken. Wanneer 
er sprake is van een ambtsmisdrijf is 
de ambtenaar verplicht hiervan aan- 
gifte te doen bij de officier van justi- 
tie. 13 Daarnaast moeten vermoedens 
van misstanden worden gemeld (zie 
onder klokkenluidersregeling 3.3). In 
al deze gevallen kan hij zich wenden 
tot een VPI. Naast het geven van 
advies aan de medewerker kan deze 
helpen om misstanden intern aan de 
orde te stellen en de medewerker 
eventueel de weg te wijzen naar de 
Commissie integriteit overheid (CIO). 
Bovendien heeft deze een signalerende 
rol naar het management. De VPI 
werkt in principe op basis van anoni- 
miteit en vertrouwelijkheid. 

3.3 Klokkenluidersregeling 14 
Hoofdstuk Vllb Melden van een mis- 
stand (artikelen 79a t/m 79e) ARAR 
en het Besluit tot instelling van de 
Commissie integriteit overheid (Stb. 
2006, 130) 

Artikel 125quinquies, derde lid, AW 

Sinds 1 januari 2001 geldt voor de 
sector Rijk de zgn. klokkenluidersre- 
geling, die een procedure bevat op 
welke wijze een ambtenaar een ver- 
moeden van een misstand kan melden 
en de acties die het management moet 
ondernemen naar aanleiding van een 
melding. Een vermoeden van een mis- 
stand betreft: 

• een grove schending van wettelijke 
voorschriften of beleidsregels; 

• een groot gevaar voor de gezond- 
heid, de veiligheid of het milieu; 

• een zeer onbehoorlijke wijze van 
functioneren, die het goede functione- 
ren van de openbare dienst in gevaar 
kan brengen. 

Vermoedt of constateert een ambte- 
naar dat een van deze zaken aan de 
orde is, dan is hij verplicht hiervan 
melding te maken. Uitgangspunt van 
de regeling is dat een vermoeden van 
een misstand primair intern bij de lei- 
dinggevende wordt gemeld. Is deze 
betrokken bij de misstand, dan kan 
hij zich richten tot de naasthogere lei- 
dinggevende. De leidinggevende die 
de melding heeft ontvangen, is ver- 
antwoordelijk voor een adequate 
afhandeling daarvan. Hij legt de mel- 
ding schriftelijk vast en informeert, 



via de gebruikelijke procedure, het 
bevoegd gezag: de secretaris-generaal. 
Deze laatste stuurt een ontvangstbe- 
vestiging naar de melder en beoor- 
deelt ook of de politieke top moet 
worden ge'informeerd. Vervolgens 
wordt de melding geverifieerd en een 
onderzoek gestart. 

Indien een ambtenaar aarzelt om 
een vermoeden van een misstand bij 
de leiding- gevende te melden, kan hij 
ook terecht bij de VPI. Deze kan het 
bevoegd gezag van de melding op de 
hoogte stellen. De ambtenaar moet 
hiermee echter instemmen. Als een 
ambtenaar een vermoedelijke mis- 
stand meldt, krijgt hij binnen een 
redelijke termijn (acht weken) te 
horen hoe met de melding wordt 
omgegaan en welke maatregelen wor- 
den getroffen. Blijkt een diepgaand 
onderzoek noodzakelijk, en is een ter- 
mijn van acht weken te kort, dan 
krijgt hij te horen wanneer hij hiervan 
een uitslag kan verwachten. 
Is de ambtenaar het niet eens met het 
standpunt van het bevoegd gezag of 
wordt de redelijke termijn overschre- 
den, dan kan hij het vermoeden mel- 
den bij de (externe) Commissie inte- 
griteit overheid. Deze onafhankelijke 
commissie beoordeelt of de melding 
aan een aantal vereisten voldoet. Als 
dit het geval is, zal de commissie de 
zaak onderzoeken en het bevoegd 
gezag adviseren. 

Ook bestaat de mogelijkheid om een 
vermoeden van een misstand recht- 
streeks bij de CIO te melden indien 
zwaarwegende belangen een interne 
melding in de weg staan. Hiervan 
zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn 
indien een of meerdere leidinggeven- 
den bij de misstand zouden zijn 
betrokken. De CIO beoordeelt of de 
rechtstreekse melding gerechtvaardigd 
is gedaan. Indien een gemeld vermoe- 
den ontvankelijk is, onderzoekt de 
commissie de melding en adviseert 
het bevoegd gezag. Wanneer de recht- 
streekse melding naar het oordeel van 
de CIO niet terecht is, adviseert deze 
de betrokken ambtenaar om de aan- 
gebrachte kwestie toch eerst intern 
aanhangig te maken. 
Degene die een vermoeden van een 
misstand te goeder trouw meldt en de 
VPI mogen op geen enkele manier 
worden benadeeld in hun positie als 
gevolg van de melding dan wel het 
uitoefenen van de taak van VPI. 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



9 



3.4 Sancties 

Artikel 80 tot en met 84 ARAR en 
hoofdstukken 3 en 4 Algemene wet 
bestuursrecht 

Als een ambtenaar de regels uit deze 
gedragscode overtreedt of anderszins 
niet integer werkt, wordt dit 
beschouwd als plichtsverzuim. Ook 
gedragingen in de prive- tijd kunnen 
onder omstandigheden plichtsverzuim 
opleveren. Het moet dan gaan om 
gedrag waardoor de belangen van de 
dienst worden geschaad of waardoor 
diens integriteit voor zover deze in 
verband staat met zijn functievervul- 
ling in het geding is. Dit kan een dis- 
ciplinaire straf tot gevolg hebben. Als 
er sprake is van een vermoeden van 
een ambtsmisdrijf, bijvoorbeeld het 
aannemen van steekpenningen, zal 
ook aangifte worden gedaan bij het 
Openbaar Ministerie. In dat geval 
kan naast een disciplinaire bestraffing 
ook een strafrechtelijke veroordeling 
volgen. 

De zwaarte van de disciplinaire 
straf kan, afhankelijk van onder 
andere de ernst van het plichtsver- 
zuim, varieren van een schriftelijke 
berisping tot en met strafontslag. Er 
is geen lijst te geven van welke straf 
bij welke misdraging moet worden 
opgelegd. Disciplinaire bestraffing is 
geen automatisme. Veel hangt af van 
de specifieke omstandigheden van het 
geval, waaronder de omstandigheid 
of er binnen de desbetreffende organi- 
satie een integriteitsbeleid wordt 
gevoerd en dat daadwerkelijk wordt 
nageleefd. 

Ook andere rechtspositiemaatregelen 
zijn mogelijk, zoals een ontslag 
wegens ongeschiktheid of onbe- 



kwaamheid (anders dan op grond 
van ziels- of lichaamsgebreken) of 
een overplaatsing in het belang van 
de dienst. 

3.5 Tot slot 

Ondanks deze code en andere integri- 
teitsmaatregelen zullen zich in de 
praktijk situaties kunnen voordoen 
waarin niet direct een duidelijk ant- 
woord is te geven op de vraag of iets 
wel of niet door de beugel kan. Als 
een ambtenaar voor zo'n integriteits- 
vraag of moreel dilemma komt te 
staan, is het van het grootste belang 
dat hij hierover praat bijvoorbeeld 
met zijn leidinggevende, zijn collega's 
of met zijn hoofd van dienst. Op deze 
wijze blijft hij niet met het dilemma 
'zitten', maar kan hij zijn eventuele 
ideeen toetsen aan de opvattingen 
van anderen en maakt hij zijn hande- 
len transparant. Verder draagt hij 
dan bij aan het integriteitsbesef bin- 
nen het dienstonderdeel. Maar hij 
kan uiteraard altijd met een integri- 
teitsvraagstuk terecht bij de departe- 
mentale vertrouwenspersoon integri- 
teit (VPI) die hem kan adviseren hoe 
daarmee om te gaan (zie hiervoor 
ook paragraaf 3.2). 
Bij het een en ander kan ook de web- 
site www.integriteitoverheid.nl 
behulpzaam zijn, waarop relevante 
informatie over integriteit bij, met 
name, de openbare sector beschikbaar 
is. Begin 2006 is bovendien bij het 
ministerie van BZK een Bureau 
Integriteitsbevordering Openbare 
Sector (BIOS) operationeel geworden 
dat een vraagbaakfunctie zal gaan 
vervullen. 



1 Stb. 2005, 695. 

2 Hoewel de regeling 'Aanwijzingen inzake exteme 
contacten van rijksambtenaren' buiten het bereik 
van het Georganiseerd Overleg sector Rijk valt, 
hebben de vakorganisaties in het overleg over deze 
modelgedragscode aangegeven dat hun instemming 
met deze code niet inhoudt dat zij het eens zijn met 
de tekst van paragraaf 2.2 voor zover die is afge- 
leid van genoemde regeling. 

3 Voor de goede orde wordt opgemerkt dat een 
geschenk of dienst van minder dan € 50,- slechts 
mag worden aangenomen na toestemming van de 
leidinggevende. 

4 De laatste afwegingsfactor komt pas aan de orde 
indien er op basis van de andere factoren geen 
bezwaren bestaan. De omvang of de zwaarte van 
de nevenwerkzaamheden kan zodanig zijn dat men 
onvoldoende beschikbaar is voor de functie dan 
wel dat deze, gelet op de strekking van de Arbeids- 
tijdenwet, schadelijk is of kan zijn voor de gezond- 
heid of het welzijn van de ambtenaar. 

5 Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) 
heeft een 'Modelgedragscode internet- en e-mailge- 
bruik' ontwikkeld die is te downloaden via: 
www.cpbweb.nl. 

6 De hier genoemde bedragen gelden voor de jaren 
2004 en 2005. 

7 Voor meer informatie over de criteria en de te 
volgen procedures in dit kader kunt u het Hand- 
boek Financiele Informatie en Administratie Rijks- 
overheid (HAFIR), een uitgave van het ministerie 
van Financien, raadplegen op www.minfm.nl/hafir. 
s Departementen kunnen eigen (aanvullende) regels 
hebben voor aanbestedingen tot € 50.000,-. Voor 
het ministerie van BZK geldt bijvoorbeeld dat 
vanaf een inkoopprijs van € 15.000,- aan minimaal 
drie aanbieders een offerte wordt gevraagd. 

9 Dit bedrag geldt met ingang van 1 januari 2006. 

10 Voor wat betreft de tekst van de eed of belofte 
wordt verwezen naar de bijlage bij het Besluit van 
de Minister van BiZa van 23 april 1998, 
AD98/U232 (Stcrt. 1998, nr. 92). 

1 1 Aangezien het ARAR c.a. niet van toepassing is 
op externen (uitzendkrachten, stagiaires e.d.) die- 
nen deze voor aanvang van de werkzaamheden een 
geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. 

12 Handreiking vertrouwenspersoon integriteit 
(VPI), Ministerie van BZK, mei 2003. 

13 Artikel 162 Wetboek van strafvordering. Depar- 
tementen kunnen interne procedureregels hebben 
op welke wijze een dergelijke aangifte moet 
geschieden. 

14 Deze klokkenluidersregeling met de procedure 
voor de rijksambtenaar om een vermoeden van een 
misstand bij het bevoegd gezag, een VPI of de 
Commissie integriteit overheid te melden, moet 
worden onderscheiden van het recht van een ieder 
om op grond van de Algemene wet bestuursrecht 
een klacht in te dienen over de wijze waarop een 
bestuursorgaan zich jegens hem heeft gedragen. 



Uit: Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60/pag. 9 



10